Klaske Bakker Schrijven, Verhalen, Lezen, Boeken
Klaske Bakker, Schrijven, Verhalen, Lezen, Boeken
 
reizigersgeheimen.jpg

De zoon van Jannis

Volgens het digitale informatiebord zal de trein over tien minuten binnenkomen. Kleumend loop ik heen en weer over het perron, mijn kraag van de jas met beide handen omhoogtrekkend. Mijn warme adem condenseert in de koude lucht. In de verte zie ik donkerblauwe wolken over de huizen drijven. Het appje van vanochtend heeft me totaal overvallen. Zonder iets tegen Niels te zeggen, ben ik op de fiets naar het station gesjeesd. En nu sta ik hier op dit tochtige perron te wachten. Nog krap tien minuten tijd om te bedenken wat ik ga zeggen en wat ik moet doen. 

Mijn gedachten dwalen af naar de zomer van vorig jaar. De taalcursus werd gegeven op een eilandje vlak voor de Griekse kust. Niels had me aangemoedigd alleen te gaan, toen bleek dat hij voor zijn werk niet weg kon. Jannis en Karina, de eigenaren van het taalcentrum, hadden een prachtig huis hoog op een rots. Vanaf het balkon van mijn kamer zag ik ’s avonds de bootjes terugkomen van zee, met hun vangst van die dag. In de namiddag, wanneer de andere cursisten alvast begonnen aan hun eerste glas wijn, trok ik eropuit. Op een dag volgde ik het geitenpaadje langs de zee. De zon stond laag aan de hemel, maar het was nog steeds heet. Zo nu en dan stopte ik om de geur op te snuiven oregano en andere kruiden. Ik plukte verse vijgen en at die al lopend op, waarbij het sap om mijn mond stroomde. In de lucht scheerden her en der roofvogels over, op zoek naar een prooi. Ik had het warm en zweette onophoudelijk, maar ik had me in tijden niet zo gelukkig gevoeld. Even waande ik me alleen in het paradijs. Toen zag ik de jongen. Hij kwam me van de andere kant tegemoet lopen. Het had even geduurd voordat ik zag dat het Siros was, de zoon van Jannis. Hij droeg een linnen tas bij zich waaruit diverse planten en kruiden staken.
‘Voor het diner van vanavond’, zei hij lachend in zijn moedertaal. ‘You understand?’, vervolgde hij plagend. Verlegen probeerde ik hem te antwoorden in het Grieks, maar ik wist geen enkel woord uit te brengen. Ik zag hoe zijn lange zwarte krullen op zijn hoofd plakten en zijn donkerbruine ogen me vragend aankeken. Zonder verder iets te zeggen, liepen we samen terug naar het dorp. Wat er daarna gebeurde, daar had ik de afgelopen maanden niet aan willen denken. Gelukkig was het Karina die ons samen had gevonden en niet Jannis. Maar de heibel was er niet minder om geweest. Jannis sommeerde mij onmiddellijk hun huis te verlaten. Ze hadden zelfs gedreigd de politie erbij te halen, omdat Siros minderjarig was. De schaamte op dat moment was enorm. Pas in het vliegtuig terug naar Nederland was ik tot bedaren gekomen. Ik besefte dat we niet anders hadden gekund. Het was zo vanzelfsprekend geweest dat Siros nog diezelfde avond naar mijn kamer was gekomen. Zijn jeugdige onbezonnenheid had me overspoeld en ik had er met geen mogelijkheid weerstand aan kunnen bieden. Ook al was ik twee keer zo oud als hij, op dat moment leek leeftijd geen rol te spelen. Thuisgekomen ging er geen dag voorbij dat ik niet aan Siros dacht. En elke dag nam ik me voor het aan Niels te vertellen. Maar ik durfde niet en hoe langer ik het uitstelde, hoe lastiger het werd. Ik pakte mijn oude leven weer op en het leek alsof er niets gebeurd was. Ook waren er steeds vaker dagen dat ik niet meer aan Siros dacht en vervaagde het beeld van hem. Tot deze ochtend, toen geheel onverwacht zijn berichtje kwam, uitbundig versierd met smileys en hartjes. Hij was in Nederland en wilde ook Arnhem aandoen. Of ik een slaapplaats had.

Volgens de klok duurt het nog een paar minuten voor de trein zal arriveren. Ik stop mijn koude handen in de jaszakken en voel mijn mobiel trillen. Het is Niels. Hij vraagt zich natuurlijk af waar ik ben. Ik aarzel, maar blijf net zo lang naar het scherm turen tot zijn naam van de display verdwijnt. De trein rijdt het station binnen. Een lange sliert gele wagons komt me tegemoet. Plotseling krijg ik het heet en de weggestopte gevoelens van toen komen in alle heftigheid terug. Paniek overvalt me als ik besef dat ik weer geen weerstand zal kunnen bieden aan deze mooie jongen. Krampachtig probeer ik mijn ademhaling onder controle te krijgen. Nog steeds heb ik niet bedacht wat te zeggen en hoe het nu verder moet. Er is gewoon geen tijd meer, dus rest me niets anders dan het maar te laten gebeuren. De deuren openen zich en de mensen stromen naar buiten. Ik zie hem meteen. Zijn stralende kop met de wilde zwarte krullen contrasteert in de grauwe mensenmassa. Hij ziet mij ook en zwaait. Verheugd zwaai ik terug. Dan stokt mijn adem. Naast hem loopt een meisje met lange blonde haren. Siros houdt haar hand vast en manoeuvreert haar behendig tussen de andere mensen door. Als ze stralend voor me staan, weet ik niets te zeggen.
Siros geeft me een hand en ik verstijf als hij zegt: ‘Fijn dat we bij jou mogen logeren.’

Verschenen in mijn verhalenbundel 'Blauwe tongen', uitgeverij Elikser en 'Reizigersgeheimen', uitgeverij Kontrast.